dinsdag 10 september 2013

Poarteboer

Ytzen K. Tamminga werd honderd jaar geleden geboren 
'Poarteboer' nog steeds actueel
door Ytzen Lont
in: Friesch Dagblad, 18 juli 1986

     "Steeds met een persoonsbewijs te moeten lopen is lastig. Voor het opsporen van misdadigers heeft het ook grote waarde. Ten onzent is het niet verplicht, maar bijvoorbeeld bij een ongeluk op de weg zou het van dienst kunnen zijn. Middels een ingevuld memorandum in mijn zakboekje heb ik het ook steeds bij mij. Ik geef toe: het niet hebben leidt niet tot een bekeuring."

     Het lijkt een commentaar op het pas afgesloten regeerakkoord. Maar het werd twintig jaar geleden opgeschreven. Evenals de volgende reactie op de noodtoestand in Zuid-Afrika: "Veel, zo niet alles, zou gewonnen zijn, wanneer de blanken hun zeggenschap en hun apartheidsbeleid als beginsel loslieten en aanvaardden als noodtoestand."

     Het artikel waaruit deze twee citaten genomen zijn, werd ondertekend met 'Poarteboer'. Tussen 1934 en 1968 stond dit pseudoniem bijna wekelijks, meer dan duizend maal, onder de rubriek Fan Tichteby en om Utens in het blad van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond. De schrijver, wijlen Ytzen K. Tamminga, werd honderd jaar geleden, op 18 juli 1886 geboren.

     Wat zou ik graag nog eens praten met de man die zovele jaren geleden over zulke actuele zaken schreef, mijn grootvader. Ik was dertien, toen hij, in januari 1969, overleed. Pake schreef stukjes, dat wist ik, maar waarover? Een aantal jaren geleden ben ik maar eens naar de Willemskade in Leeuwarden gegaan, naar het kantoor van de C.B.T.B.; honderden nummers van Ons Friese Platteland doorgelezen. Daarna heb ik begrepen van wie ik het besef geërfd heb, dat we allemaal deel uitmaken van dezelfde geschiedenis, deel van een groter geheel. Al in 1935 schrijft Poarteboer: "De toestand wordt thans in Europa door de verantwoordelijke staatslieden ernstiger geacht dan in de dagen voor 1 augustus 1914. Onder dezen donkeren hemel viert de hoofdstad onzer provincie feest. Het feest der annexatie. Zooals nog heden den dag de volken expansie-noodzaak hebben, had Leeuwarden het ook. En de kleine mogendheden om haar waren er niets op gesteld. Een zeer wetenschappelijk man poneerde de stelling dat de stad het platteland al minder noodig zou hebben ook. Wij hebben daar toen tegenover gesteld de schriftuurlijke gedachte, dat uiteindelijk ook de Koning van het veld gevoed moet worden. Van Leeuwarden kan het platteland gerustelijk zeggen: 'Ik heb het groot gemaakt'." Zo plaatst Poarteboer steeds weer alles in een groter perspectief.

     Fan Tichteby en om Utens, van dichtbij en verder: geboren op het Leeuwarden Nijlân, waar nu het vliegveld ligt. Boer aan de rand van de stad, poortwachter, Poarteboer. Met zicht op het platteland, de agrarische wereld, maar ook op de stad, het maatschappelijk en kerkelijk leven. Hij is geboren in het jaar van de Doleantie. Van Abraham Kuyper leert hij, via de gereformeerde jongelingsvereniging, zich in de maatschappij te plaatsen en zelf mee te doen.

     In 1934 begint hij zijn rubriek als propagandist van de boerenorganisatie. Hij schrijft zelf: "Kort samengevat heeft Poarteboer zich tweeërlei doel voor ogen gesteld: 1. Alle 'rechtsche' boeren lid van de C.B.T.B.; 2. Alle boeren lid van diverse, bijzonder van de zuivel-organisaties. Wel behandelt deze rubriek ook andere onderwerpen, maar ze zijn als omlijsting te beschouwen." (1) In de loop van de jaren breidt zich dat steigerwerk steeds verder uit. Tot Zuid-Afrika toe! Poarteboer ontwikkelt zich van propagandist tot wat we vandaag zouden noemen een columnist. Hij zoekt de nuance, maar is vaak ook stellig in zijn uitspraken. Dat roept reacties op. Een trouwe lezer stuurt Ons Friese Platteland aan de C.B.T.B. retour: als Poarteboer zich met politiek gaat bemoeien, hoeft het blad voor hem niet meer.

     Te rood
     Vandaag de dag zouden de mensen veel van Poarteboers opvattingen 'conservatief' noemen. Maar indertijd dachten velen daar anders over. In 1934 houdt Poarteboer voor het Landbouwhalfuur van de NCRV een radiolezing over de 'Landbouwcoöperatie'. Ruimschoots van tevoren moet hij een duplicaat van de lezing toezenden voor de Radio-Omroep Controle-Commissie en een goed gelijkende foto van hemzelf voor de NCRV-gids. Op 28 november is het zover. Een zevenjarig neefje luistert aandachtig en vol bewondering als de stem van zijn Omke Ytzen uit de radio klinkt. Niet alle luisteraars hebben echter zoveel bewondering. Nogal wat leden van de NCRV zeggen hun lidmaatschap op. Ze vinden de lezing van IJ.K. Tamminga veel te rood: tast de coöperatie immers niet het vrije ondernemerschap aan? Bij een andere gelegenheid ontving Poarteboer een brief waarin de schrijver stelde: "Onze jeugdtijd verdedigde het privaatbezit. Thans staat u naast Karl Marx wat het bezit betreft, eigendom is diefstal." Poarteboer kan zijn honorarium van f 10,- opstrijken, maar de tweede lezing, die oorspronkelijk wel in de bedoeling lag, gaat niet door.

     Een dezer dagen las ik in een onlangs verschenen boek over de ARP (2) dat ook dit neefje, vele jaren later, te rood werd bevonden. Als voorzitter van de Amsterdamse A.R. zoekt hij eind zestiger jaren samenwerking met de Politieke Partij Radicalen, wat hem een uitbrander van de A.R.-top oplevert. Het neefje, Jenze Tamminga, schopt het overigens tot hoofdredacteur van het dagblad Trouw.
     Poarteboer schrijft in 1968 naar aanleiding van de radicalen: "Radicaal is de drooglegging van het Wad. Dat wadlopers deze radicaliteit niet kunnen bijbenen, is al een beetje begrijpelijk, maar aan deze al heel beperkte sport kan toch het krijgen van een stuk landwinst niet geofferd worden." In Poarteboers tijd was het milieu nog iets voor de vrije zaterdagmiddag. Vruchtbare grond, daar gaat het om: in 1951 maakt hij zich zorgen over de industrialisatie in de Randstad. Men kan de grote steden beter naar de onvruchtbare grond van de Veluwe verplaatsen.

     De reacties die Poarteboer oproept, leveren soms prachtige polemieken op. "Ik neem ten aanzien van ingezonden stukken steeds een ruim standpunt in," schrijft hij naar aanleiding van een brief van 'Plattelander', "maar, ongetekende stukken worden met mijn medewerking niet geplaatst. 'Plattelander', wat zegt dat, het zou wel een stadsburgemeester of een directeur van Unilever kunnen zijn." Het is duidelijk waar Poarteboer zijn 'vijanden' ziet. Zo krijgt ook de ongeorganiseerde boer er van langs: "Een kleine vrije boer; hij redt zich alleen. Hij is zo vrij als een vis in de Sahara."

     Een geliefde vijand is de latere voorzitter van de Tweede Kamer, de socialist Anne Vondeling. "Dr.Vondeling is een openhartig, eerlijk man. Iemand van wie men weet wat men aan hem heeft", schrijft Poarteboer. Met zulke mensen gaat hij graag de strijd aan: "Voor de treurige situatie van de landbouw in de jaren tussen de beide wereldoorlogen ben ik op geen enkele wijze verantwoordelijk, schrijft dr.Vondeling. Inderdaad, in die tijd heb ik Anne Vondeling in de Appelschaster duinen wel eens op een ijsco getrakteerd. Het was nog zijn onbezorgde tijd. Maar of het nu zo juist is in zijn huidige politieke situatie, om zich van die verantwoordelijkheid los te maken, is voor mij toch even de vraag. De socialistische politiek is niet met dr.Vondeling begonnen en die was in de tussen-oorlogse tijd toch waarlijk niet zo heel landbouwminnend."

     In die tussen-oorlogse tijd, in 1935, schreef Poarteboer overigens woorden die een PvdA-propagandist zo over kon nemen: "Voor de crisiswetgeving wrikte men dan ook liever aan het gebouw onzer sociale verzekering, dan dat men aan uitbouw zou willen denken. Tegen dit onsociaal, oud-liberaal gedoe zijn wij steeds te velde getrokken." Poarteboer pleit hier echter niet voor staatsbemoeienis, maar voor het Coöperatief Boerenverzekeringsfonds. "Laten we bedenken, een last die allen drukt, is eigenlijk geen last meer."

     Eenheid
     Wie Ytzen Tamminga ontmoet heeft (en zeker wie, als ik, op zijn schoot gezeten heeft!) herinnert zich zijn milde glimlach. Ondanks zijn polemieken is Poarteboer op zoek naar eenheid. Splitsen en scheiden is rechthartige protestanten vreemd, schrijft hij. De scheuring die in oorlogstijd in de gereformeeerde kerken plaatsvindt, kan hij als ouderling op huisbezoek maar moeilijk uitleggen. Al in 1939 schrijft hij: "In de hoofdzaken en de fundamenteele vragen zijn we het eens en de bijkomstigheden drijven ons uiteen. Bijna een eeuw twisten we nu in Nederland over het Kerkelijk vraagstuk en komen geen stap verder. Op politiek gebied ligt de kwestie nog eenvoudiger. Daar zijn we het zoo goed eens dat we om de geschilpunten moeten zoeken. Op de agenda van menige kiesvereen. prijkt b.v. als onderwerp: wat doet A.R. en C.H. van elkander verschillen. Ieder bestuur van iedere kiesvereeeniging moest zich over zoo'n onderwerp schamen. Als men dan over en weer over elkander praten wil, laat het dan zijn over wat bindt en niet over wat scheidt."

     Zuid-Afrika
     Een bijzondere ervaring voor mijn grootvader was zijn reis, samen met zijn vrouw, naar Zuid-Afrika in 1966. "Onze reis naar Zuid-Afrika is een familiebezoek. Het gaat niet eerst om de reis en om het land, maar om de kinderen. Het lijkt mij toch aantrekkelijk over dit land te schrijven. Zuid-Afrika heeft iets bijzonders. Zuid-Afrika is in opspraak als geen ander land. Het land waarin blanken en niet-blanken samen hebben te wonen. De eeuwen door is de rechte, bevredigende verhouding niet gevonden kunnen worden. Ik wil trachten, onder voorbehoud dat we slechts enkele weken hier zijn en onze waarnemingen over een klein gebied van dit uitgestrekte land gaan, enige indrukken van deze verhoudingen te krijgen."

     Hij raakt over deze reis niet uitgeschreven en uitgedacht. Het resulteert in een serie van uiteindelijk zestien artikelen, vier maanden lang elke week. Mijns inziens niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief een hoogtepunt van zijn journalistiek. Zijn Zuid-Afrika-complex zit hem zelf een beetje dwars, want er gebeurt intussen ook genoeg in eigen land. In zijn artikelen worstelt hij met zijn beeld van het land. Aan de ene kant laat hij niet na er steeds op te wijzen dat de zwarten het dankzij de blanken nergens beter hebben dan in Zuid-Afrika, aan de andere kant botst hij steeds met de apartheid. "In de luchthaven te Johannesburg trok al dadelijk mijn aandacht, de hinderlijke aanduiding 'Vir blankes' en 'Vir niet-blankes' en bekroop mij de wat 'revolutionaire' lust de trap op te stijgen en in de afdeling 'Vir niet-blankes' te gaan. Dit was de eerste kennismaking met de 'apartheid'. Intussen in de stijl van Ezechiël, ik zou groter 'gruwelen' zien dan deze."

     "De Heilige Schrift wil dat we de Grieken een Griek en in dezelfde lijn, de Bantoe's een Bantoe zullen zijn. Het altijd weer uit de hoogte op de niet-blanken neerzien, is de dynamiet onder de Zuid-Afrikaanse samenleving. Het zwaartepunt ligt niet het eerst in de politiek, maar in het dagelijks leven."
     "De grote sociale ongelijkheid is steeds de menselijke oorzaak van alle revoluties geweest. De Franse, de Russische, de Chinese, de Indonesische en die in meerdere Aziatische en Afrikaanse landen. Anti-revolutionair zijn is prachtig, maar met het anti de revolutie voor te zijn is beter."

     "Vanwege de grote verschillen zou scheiding een oplossing brengen. Het is echter onmogelijk dit te bereiken, want het zou verhuizingen over en weer tot in het oneindige nodig doen zijn."
     "God heeft ons dit land gegeven. 'Ons Suid-Afrika'. Inderdaad, maar daarnaast zijn in datzelfde Zuid-Afrika vier keer zoveel niet-blanken als blanken. Het is ook mede hun land. En voor allen moet naar een menswaardige leefruimte gestreefd worden. De blanken moeten beseffen dat niet zij alleen het volk zijn, maar dat ze samen de natie vormen."

     "Nu nog dit, en dat is misschien iets persoonlijks. Het woord ras komt dacht ik in de bijbel niet voor. De bijbel spreekt van geslacht, en taal en volk en natie. In ras zit naar mijn gevoel iets 'dier'lijks, iets 'plant'aardigs. Het wordt gekweekt, veredeld, vermenigvuldigd, gekruist of zuiver gehouden. Willekeurige menselijke ingrepen. De naar Gods beeld geschapen mens staat hierboven, zijn voortgang en vermenigvuldiging wordt niet door mensen, maar door God zelf geleid."

     Na zestien weken eindigt Poarteboer de artikelenreeks met: "Wij willen dat Zuid-Afrika naar ons luistert. Wij zouden het ook naar hun kunnen doen."

     Zo bleef Ytzen K. Tamminga zijn leven lang luisteren en trachten "enige indrukken van de verhoudingen te krijgen". Wat ben ik blij dat hij ze op papier heeft gezet.

(1) D. Siegersma: Poarteboer, Bloemlezing uit de artikelen van Y.K. Tamminga; Friese CBTB Leeuwarden. 
(2) P.L. van Enk: De aftocht van de ARP; Kampen, 1986.

woensdag 4 september 2013

Aantjes uitgeleverd

"AANTJES UITGELEVERD AAN NEDERLANDSE VOLK" 
Door: Ytzen Lont, Odijk 
In: Barneveldse Krant, november 1978 
(precieze datum onbekend, omstreeks 11.11.78) 

     Ruim 33 jaar bevrijd, zijn er nóg Nederlanders kapot van de oorlog. En na ruim 33 jaar lopen er in Nederland nog mensen kapot op die oorlog (of dat ook Nederlanders zijn is nog in onderzoek).
     Daar zijn we deze dagen plotseling weer bij bepaald, en niet zo zachtzinnig ook. Voor velen zal 'de zaak Aantjes', denk ik, weer allerlei nare herinneringen naar boven gehaald hebben. Het is dan misschien ook wel stoutmoedig, dat ondergetekende, die 10 jaar na de oorlog geboren is en er dus eigenlijk niet over mee kan praten toch wat gedachten over deze zaak en over de oorlog op papier zet.
     Ook zij die na de oorlog geboren zijn, denken wel eens na over die verschrikkingen, waar hun ouders en de media over vertellen. En ze denken ook wel eens na over de wereld van nu, waar ze zelf in leven, hoe die er uit zou moeten zien. En over die 150 mensen daar in Den Haag, die er hun vak van gemaakt hebben zich met die laatste vraag bezig te houden.
     Mr. W. Aantjes was één van die 150 en hij bleek liefde te hebben voor dat vak, maar beslist geen amateur. Toch was hij - zo is ons nu verteld - niet goed genoeg voor de uitoefening van zijn vak. Hij is een bedrieger en schizofreen, vernemen wij, en een onbetrouwbaar man. Omdat hij 35 jaar geleden in dienst is getreden bij de vijand ("Wij beoordelen geen motieven, het gaat om de feiten", zegt men) en hij dit nooit exact en publiekelijk uit de doeken heeft gedaan. Het vertrouwen in de politici (en 'christen-politici') in het bijzonder) daalde, tenminste bij mij, op die maandagavond tot een absoluut nul-punt. Er was maar één conclusie en die deelde ik die maandagavond met vrijwel alle politieke partijen: "Aantjes moet vertrekken".

     Is dat zo? Vijfendertig jaar geleden heeft iemand fouten begaan (hoe ernstig en met welke motieven is of was nog volkomen vaag). Nadien heeft deze persoon alleszins blijk gegeven dat pad volledig te hebben verlaten (en nu ga ik uit van de onbewezen bewering, dat Aantjes werkelijk 'fout' was en zijn stappen zou hebben gedaan uit pro-Duitse overwegingen).
     Maar nee, Aantjes mocht zijn oorlogsverleden niet achter zich laten. Hij had moeten spreken (inderdaad) en dat niet alleen: een politieke carrière had hem "bespaard" moet blijven.
     In de Tweede Kamer is alleen plaats voor volmaakte mensen. Mensen die geleden hebben tengevolge van hun verzet; mensen die gezwegen hebben, omdat ze niet wisten wát te zeggen; of mensen die in Engeland (aan de goede kan dus) hun bijdrage leverden. Indien Aantjes nog geen 21 was geweest, dan had hij nog van zijn fouten kunnen leren. Maar nee, hij was een volwassen, weldenkend mens: eens fout, altijd fout.
     Dat Aantjes blijk gegeven heeft te kunnen veranderen, zonder wisselvallig te worden (hoewel vaak onberekenbaar door zijn gesloten karakter) doet niet ter zake.
     Nogmaals: is dat zo? Nee! De eerste emotionele reaktie van: "Aantjes moet weg", heeft bij mij al gauw plaats gemaakt voor de mening: "Aantjes moet blijven". (Helaas vond hij zelf geen ruimte meer om die keus te kunnen maken.) Niet minder emoties trouwens. Niet minder vragen ook. Ik ben (evenals vele andere jongeren - geloof me) opnieuw gaan nadenken over de oorlog. Over ons oorlogsverleden.

     Als jongere (natuurlijk kan ik niet namens de jongere generatie spreken, maar wel vanuit die generatie) stel ik de vraag aan de andere generatie: wanneer kunnen we die oorlog los laten? Ik kan niet half vermoeden wat het is om onder een bezetting te leven en nog wel van zo'n demonische macht als die van nazi-Duitsland. Ik wil die tijd op geen enkele manier bagatelliseren of wegstoppen. Maar wel vraag ik: wanneer kunnen we de bijl van bijltjesdag nu eens begraven? Is dat de enige manier om de doden te eren: "Wraak"? "Gerechtigheid"?
     Is de telkens opkomende golf van emoties het enige (tenminste het opvallendste) dat de ouderen op de jongeren kunnen overbrengen? Is, behalve de verschrikking, die soms zo avontuurlijk aan ons overgebracht is, het motto "je zult je straf niet ontlopen" het enige dat we van de oorlog moeten onthouden?
     Was 5 mei 1945 het laatste oordeel en de laatste kans? En is toen het recht begonnen?

     Gelukkig maar, dan zit ik goed, want ik ben nooit 'fout' geweest. Toch twijfel ik daar wel eens aan. Ik ben nu al op het randje 'fout': ik ben blij dat ik rij in een blikken tuig dat jaarlijks 2400 doden veroorzaakt (nou ja, mij overkomt zoiets niet) en een grote hap lucht en levensruimte opslokt. Ca. 12.000 mensenlevens over vijf jaren is het offer dat wij blijkbaar over hebben voor onze (bewegings)vrijheid.
     Ook ik ben op het randje 'fout': ik weet dat 2/3 van de wereldbevolking niet of nauwelijks genoeg te eten heeft. Niet zo dichtbij als de hongerwinter en toch binnenskamers. Ik weet dat 'mijn eigen mensen', de westerse wereld, muren heeft opgebouwd om te voorkomen dat de armoed-zaaiers van de Derde Wereld onze rijkdom (die toch al zo op de tocht staat) aan zou tasten. Die muren zijn wel wat gecompliceerder dan het prikkeldraad van een concentratiekamp, zodat ik bij gebrek aan economische kennis kan zeggen "ich habe es nicht gewuszt". En mijn bijdrage aan de bewaking van deze muren is wel wat indirekter dan het "Befehl ist Befehl". Maar ik weet ervan. Ik word ermee geconfronteerd. En wat doe ik? O luxe van rijkdom en macht, ik geef een fooi aan deze slachtoffers. Goed, ik misdraag me niet, ik ben geen vredesmisdadiger. Maar... laat ik het zo zeggen: ik duik onder voor het verzet.
     U zegt: het nationaal socialisme en de terreur van Hitler zijn niet te vergelijken met deze tijd. Gelukkig heeft u 100% gelijk, althans wat het vrije westen betreft (volkerenmoord, martelingen, dictatuur, rassenhaat zijn nog niet verslagen). U zegt: Aantjes had de ernst van het nationaal socialisme en de Duitse macht beter moeten onderkennen. Weer heeft u gelijk. Maar is iemand die onder de druk en de terreur van die ernst verkeerde beslissingen neemt, fouter dan wij die in grote mate vrije keuze hebben?
     Is de genade voor zonden in die ernstige tijd begaan zoveel geringer dan voor de zonden in de 'vrije tijd' na '45? (Hier komt weer de reaktie dat we de mens Aantjes en de politicus Aantjes moeten scheiden. Dat wordt wel een onmenselijke politiek dan.).
     U zegt: Aantjes heeft zijn verleden verzwegen en het publiek misleid. Vermoedelijk heeft u al weer (voor een deel) gelijk. Maar nu we zien welke straf op Aantjes' verleden staat, is het niet onmogelijk om daar begrip voor op te brengen.
     (Misschien is Aantjes geen Nederlander meer. Dan heeft hij het geluk dat hij niet aan Nederland kan worden uitgeleverd om veroordeeld te worden. Hoewel: nog eer de feiten over Aantjes' gedrag en de staatkundige consequenties daarvan volledig vaststaan, is hij op maandagavond 6 november uitgeleverd aan het Nederlandse volk op een manier waarbij hij geen enkele kans meer maakte.)

     Het ironische en het trieste is dat juist Aantjes één van degenen is geweest, die met name bij veel jongeren het besef wakker heeft gemaakt en levend gehouden, dat de strijd om recht niet in 1945 is afgesloten. Dat het CDA en Nederland niet moeten denken, dat na '45 alles vredig zijn gang gaat. Zelf heeft hij lange tijd nodig gehad om dat goed te beseffen. De ontwikkeling die Aantjes doorgemaakt heeft is bekend.
     In 1943/44 is Aantjes onder de druk van de omstandigheden wankelmoedig geweest. De omstandigheden in augustus 1975 waren onvergelijkelijk met die oorlogsjaren. Toch was er moed voor nodig, geloof ik, om de rede uit te spreken die Aantjes toen heeft gehouden. De Aantjes van 23 augustus 1975 was een andere dan die van 12 oktober 1944.

     "Kijk eens om u heen. De hongerigen worden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1% van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingshulp uitgeven, hebben wij meer zorg over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed dan over de vraag of die 99% die we voor onszelf reserveren, wel goed wordt besteed.
     De dorstigen worden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overlaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
     En de vreemdelingen wórden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij wij ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen wens vuil te maken.
     De naakten wórden niet gekleed. Zij worden uitgestoten. En de gevangenen wórden niet bezocht. Zij worden gemarteld. En wij vinden dat wij al heel wat doen (ik spreek over mezelf) als wij een kaart van Amnesty International als kerstgroet rondzenden in plaats van een zoete afbeelding van de herdertjes in Efratha's velden."

     Waren dit leugens en holle klanken of woorden van een man met visie en hart voor de zaak? Hoe dan ook, de oproep blijft, dacht ik, overeind staan.
     Al was Aantjes' politiek voor veel mensen niet altijd te volgen - daarvoor was hij, denk ik, te veel de meester van het compromis, waardoor wel eens aan duidelijkheid werd ingeboet - toch heeft hij altijd veel jongeren het vermoeden en de hoop gegeven, dat via het politieke gebeuren in Den Haag toch iets ten goede kan veranderen in de wereld van na de oorlog. Door de gebeurtenissen van afgelopen week zou dat vermoeden wel eens in elkaar kunnen storten. Dat is nu nog niet te zeggen.

     Nogmaals wil ik de ouderen vragen: wat wilt u nu dat wij van de oorlog leren? Ik begrijp nu, dat ik me nooit zal mogen aansluiten bij de SS. Maar het kwaad zal in een ander conflict ook in een andere lettercombinatie gehuld zijn.

     Als kind heb ik ooit eens de fout begaan, een verzetsmonument te gebruiken als klimrek. Een vriendelijke, oude man kwam me vertellen dat dat niet kon, omdat dat monument ons er aan moest herinneren, dat er dappere mannen waren gestorven voor onze vrijheid. Als kind kon ik dat niet begrijpen. Waar waren die dappere mannen nou voor gestorven, als wij hier niet eens mochten spelen? Zou het mogelijk zijn om ons vanuit dat akelige verleden meer bij het heden te bepalen, in plaats van er in te blijven steken.

Lees ook: Uit de kast