dinsdag 10 september 2013

Poarteboer

Ytzen K. Tamminga werd honderd jaar geleden geboren 
'Poarteboer' nog steeds actueel
door Ytzen Lont
in: Friesch Dagblad, 18 juli 1986

     "Steeds met een persoonsbewijs te moeten lopen is lastig. Voor het opsporen van misdadigers heeft het ook grote waarde. Ten onzent is het niet verplicht, maar bijvoorbeeld bij een ongeluk op de weg zou het van dienst kunnen zijn. Middels een ingevuld memorandum in mijn zakboekje heb ik het ook steeds bij mij. Ik geef toe: het niet hebben leidt niet tot een bekeuring."

     Het lijkt een commentaar op het pas afgesloten regeerakkoord. Maar het werd twintig jaar geleden opgeschreven. Evenals de volgende reactie op de noodtoestand in Zuid-Afrika: "Veel, zo niet alles, zou gewonnen zijn, wanneer de blanken hun zeggenschap en hun apartheidsbeleid als beginsel loslieten en aanvaardden als noodtoestand."

     Het artikel waaruit deze twee citaten genomen zijn, werd ondertekend met 'Poarteboer'. Tussen 1934 en 1968 stond dit pseudoniem bijna wekelijks, meer dan duizend maal, onder de rubriek Fan Tichteby en om Utens in het blad van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond. De schrijver, wijlen Ytzen K. Tamminga, werd honderd jaar geleden, op 18 juli 1886 geboren.

     Wat zou ik graag nog eens praten met de man die zovele jaren geleden over zulke actuele zaken schreef, mijn grootvader. Ik was dertien, toen hij, in januari 1969, overleed. Pake schreef stukjes, dat wist ik, maar waarover? Een aantal jaren geleden ben ik maar eens naar de Willemskade in Leeuwarden gegaan, naar het kantoor van de C.B.T.B.; honderden nummers van Ons Friese Platteland doorgelezen. Daarna heb ik begrepen van wie ik het besef geërfd heb, dat we allemaal deel uitmaken van dezelfde geschiedenis, deel van een groter geheel. Al in 1935 schrijft Poarteboer: "De toestand wordt thans in Europa door de verantwoordelijke staatslieden ernstiger geacht dan in de dagen voor 1 augustus 1914. Onder dezen donkeren hemel viert de hoofdstad onzer provincie feest. Het feest der annexatie. Zooals nog heden den dag de volken expansie-noodzaak hebben, had Leeuwarden het ook. En de kleine mogendheden om haar waren er niets op gesteld. Een zeer wetenschappelijk man poneerde de stelling dat de stad het platteland al minder noodig zou hebben ook. Wij hebben daar toen tegenover gesteld de schriftuurlijke gedachte, dat uiteindelijk ook de Koning van het veld gevoed moet worden. Van Leeuwarden kan het platteland gerustelijk zeggen: 'Ik heb het groot gemaakt'." Zo plaatst Poarteboer steeds weer alles in een groter perspectief.

     Fan Tichteby en om Utens, van dichtbij en verder: geboren op het Leeuwarden Nijlân, waar nu het vliegveld ligt. Boer aan de rand van de stad, poortwachter, Poarteboer. Met zicht op het platteland, de agrarische wereld, maar ook op de stad, het maatschappelijk en kerkelijk leven. Hij is geboren in het jaar van de Doleantie. Van Abraham Kuyper leert hij, via de gereformeerde jongelingsvereniging, zich in de maatschappij te plaatsen en zelf mee te doen.

     In 1934 begint hij zijn rubriek als propagandist van de boerenorganisatie. Hij schrijft zelf: "Kort samengevat heeft Poarteboer zich tweeërlei doel voor ogen gesteld: 1. Alle 'rechtsche' boeren lid van de C.B.T.B.; 2. Alle boeren lid van diverse, bijzonder van de zuivel-organisaties. Wel behandelt deze rubriek ook andere onderwerpen, maar ze zijn als omlijsting te beschouwen." (1) In de loop van de jaren breidt zich dat steigerwerk steeds verder uit. Tot Zuid-Afrika toe! Poarteboer ontwikkelt zich van propagandist tot wat we vandaag zouden noemen een columnist. Hij zoekt de nuance, maar is vaak ook stellig in zijn uitspraken. Dat roept reacties op. Een trouwe lezer stuurt Ons Friese Platteland aan de C.B.T.B. retour: als Poarteboer zich met politiek gaat bemoeien, hoeft het blad voor hem niet meer.

     Te rood
     Vandaag de dag zouden de mensen veel van Poarteboers opvattingen 'conservatief' noemen. Maar indertijd dachten velen daar anders over. In 1934 houdt Poarteboer voor het Landbouwhalfuur van de NCRV een radiolezing over de 'Landbouwcoöperatie'. Ruimschoots van tevoren moet hij een duplicaat van de lezing toezenden voor de Radio-Omroep Controle-Commissie en een goed gelijkende foto van hemzelf voor de NCRV-gids. Op 28 november is het zover. Een zevenjarig neefje luistert aandachtig en vol bewondering als de stem van zijn Omke Ytzen uit de radio klinkt. Niet alle luisteraars hebben echter zoveel bewondering. Nogal wat leden van de NCRV zeggen hun lidmaatschap op. Ze vinden de lezing van IJ.K. Tamminga veel te rood: tast de coöperatie immers niet het vrije ondernemerschap aan? Bij een andere gelegenheid ontving Poarteboer een brief waarin de schrijver stelde: "Onze jeugdtijd verdedigde het privaatbezit. Thans staat u naast Karl Marx wat het bezit betreft, eigendom is diefstal." Poarteboer kan zijn honorarium van f 10,- opstrijken, maar de tweede lezing, die oorspronkelijk wel in de bedoeling lag, gaat niet door.

     Een dezer dagen las ik in een onlangs verschenen boek over de ARP (2) dat ook dit neefje, vele jaren later, te rood werd bevonden. Als voorzitter van de Amsterdamse A.R. zoekt hij eind zestiger jaren samenwerking met de Politieke Partij Radicalen, wat hem een uitbrander van de A.R.-top oplevert. Het neefje, Jenze Tamminga, schopt het overigens tot hoofdredacteur van het dagblad Trouw.
     Poarteboer schrijft in 1968 naar aanleiding van de radicalen: "Radicaal is de drooglegging van het Wad. Dat wadlopers deze radicaliteit niet kunnen bijbenen, is al een beetje begrijpelijk, maar aan deze al heel beperkte sport kan toch het krijgen van een stuk landwinst niet geofferd worden." In Poarteboers tijd was het milieu nog iets voor de vrije zaterdagmiddag. Vruchtbare grond, daar gaat het om: in 1951 maakt hij zich zorgen over de industrialisatie in de Randstad. Men kan de grote steden beter naar de onvruchtbare grond van de Veluwe verplaatsen.

     De reacties die Poarteboer oproept, leveren soms prachtige polemieken op. "Ik neem ten aanzien van ingezonden stukken steeds een ruim standpunt in," schrijft hij naar aanleiding van een brief van 'Plattelander', "maar, ongetekende stukken worden met mijn medewerking niet geplaatst. 'Plattelander', wat zegt dat, het zou wel een stadsburgemeester of een directeur van Unilever kunnen zijn." Het is duidelijk waar Poarteboer zijn 'vijanden' ziet. Zo krijgt ook de ongeorganiseerde boer er van langs: "Een kleine vrije boer; hij redt zich alleen. Hij is zo vrij als een vis in de Sahara."

     Een geliefde vijand is de latere voorzitter van de Tweede Kamer, de socialist Anne Vondeling. "Dr.Vondeling is een openhartig, eerlijk man. Iemand van wie men weet wat men aan hem heeft", schrijft Poarteboer. Met zulke mensen gaat hij graag de strijd aan: "Voor de treurige situatie van de landbouw in de jaren tussen de beide wereldoorlogen ben ik op geen enkele wijze verantwoordelijk, schrijft dr.Vondeling. Inderdaad, in die tijd heb ik Anne Vondeling in de Appelschaster duinen wel eens op een ijsco getrakteerd. Het was nog zijn onbezorgde tijd. Maar of het nu zo juist is in zijn huidige politieke situatie, om zich van die verantwoordelijkheid los te maken, is voor mij toch even de vraag. De socialistische politiek is niet met dr.Vondeling begonnen en die was in de tussen-oorlogse tijd toch waarlijk niet zo heel landbouwminnend."

     In die tussen-oorlogse tijd, in 1935, schreef Poarteboer overigens woorden die een PvdA-propagandist zo over kon nemen: "Voor de crisiswetgeving wrikte men dan ook liever aan het gebouw onzer sociale verzekering, dan dat men aan uitbouw zou willen denken. Tegen dit onsociaal, oud-liberaal gedoe zijn wij steeds te velde getrokken." Poarteboer pleit hier echter niet voor staatsbemoeienis, maar voor het Coöperatief Boerenverzekeringsfonds. "Laten we bedenken, een last die allen drukt, is eigenlijk geen last meer."

     Eenheid
     Wie Ytzen Tamminga ontmoet heeft (en zeker wie, als ik, op zijn schoot gezeten heeft!) herinnert zich zijn milde glimlach. Ondanks zijn polemieken is Poarteboer op zoek naar eenheid. Splitsen en scheiden is rechthartige protestanten vreemd, schrijft hij. De scheuring die in oorlogstijd in de gereformeeerde kerken plaatsvindt, kan hij als ouderling op huisbezoek maar moeilijk uitleggen. Al in 1939 schrijft hij: "In de hoofdzaken en de fundamenteele vragen zijn we het eens en de bijkomstigheden drijven ons uiteen. Bijna een eeuw twisten we nu in Nederland over het Kerkelijk vraagstuk en komen geen stap verder. Op politiek gebied ligt de kwestie nog eenvoudiger. Daar zijn we het zoo goed eens dat we om de geschilpunten moeten zoeken. Op de agenda van menige kiesvereen. prijkt b.v. als onderwerp: wat doet A.R. en C.H. van elkander verschillen. Ieder bestuur van iedere kiesvereeeniging moest zich over zoo'n onderwerp schamen. Als men dan over en weer over elkander praten wil, laat het dan zijn over wat bindt en niet over wat scheidt."

     Zuid-Afrika
     Een bijzondere ervaring voor mijn grootvader was zijn reis, samen met zijn vrouw, naar Zuid-Afrika in 1966. "Onze reis naar Zuid-Afrika is een familiebezoek. Het gaat niet eerst om de reis en om het land, maar om de kinderen. Het lijkt mij toch aantrekkelijk over dit land te schrijven. Zuid-Afrika heeft iets bijzonders. Zuid-Afrika is in opspraak als geen ander land. Het land waarin blanken en niet-blanken samen hebben te wonen. De eeuwen door is de rechte, bevredigende verhouding niet gevonden kunnen worden. Ik wil trachten, onder voorbehoud dat we slechts enkele weken hier zijn en onze waarnemingen over een klein gebied van dit uitgestrekte land gaan, enige indrukken van deze verhoudingen te krijgen."

     Hij raakt over deze reis niet uitgeschreven en uitgedacht. Het resulteert in een serie van uiteindelijk zestien artikelen, vier maanden lang elke week. Mijns inziens niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief een hoogtepunt van zijn journalistiek. Zijn Zuid-Afrika-complex zit hem zelf een beetje dwars, want er gebeurt intussen ook genoeg in eigen land. In zijn artikelen worstelt hij met zijn beeld van het land. Aan de ene kant laat hij niet na er steeds op te wijzen dat de zwarten het dankzij de blanken nergens beter hebben dan in Zuid-Afrika, aan de andere kant botst hij steeds met de apartheid. "In de luchthaven te Johannesburg trok al dadelijk mijn aandacht, de hinderlijke aanduiding 'Vir blankes' en 'Vir niet-blankes' en bekroop mij de wat 'revolutionaire' lust de trap op te stijgen en in de afdeling 'Vir niet-blankes' te gaan. Dit was de eerste kennismaking met de 'apartheid'. Intussen in de stijl van Ezechiël, ik zou groter 'gruwelen' zien dan deze."

     "De Heilige Schrift wil dat we de Grieken een Griek en in dezelfde lijn, de Bantoe's een Bantoe zullen zijn. Het altijd weer uit de hoogte op de niet-blanken neerzien, is de dynamiet onder de Zuid-Afrikaanse samenleving. Het zwaartepunt ligt niet het eerst in de politiek, maar in het dagelijks leven."
     "De grote sociale ongelijkheid is steeds de menselijke oorzaak van alle revoluties geweest. De Franse, de Russische, de Chinese, de Indonesische en die in meerdere Aziatische en Afrikaanse landen. Anti-revolutionair zijn is prachtig, maar met het anti de revolutie voor te zijn is beter."

     "Vanwege de grote verschillen zou scheiding een oplossing brengen. Het is echter onmogelijk dit te bereiken, want het zou verhuizingen over en weer tot in het oneindige nodig doen zijn."
     "God heeft ons dit land gegeven. 'Ons Suid-Afrika'. Inderdaad, maar daarnaast zijn in datzelfde Zuid-Afrika vier keer zoveel niet-blanken als blanken. Het is ook mede hun land. En voor allen moet naar een menswaardige leefruimte gestreefd worden. De blanken moeten beseffen dat niet zij alleen het volk zijn, maar dat ze samen de natie vormen."

     "Nu nog dit, en dat is misschien iets persoonlijks. Het woord ras komt dacht ik in de bijbel niet voor. De bijbel spreekt van geslacht, en taal en volk en natie. In ras zit naar mijn gevoel iets 'dier'lijks, iets 'plant'aardigs. Het wordt gekweekt, veredeld, vermenigvuldigd, gekruist of zuiver gehouden. Willekeurige menselijke ingrepen. De naar Gods beeld geschapen mens staat hierboven, zijn voortgang en vermenigvuldiging wordt niet door mensen, maar door God zelf geleid."

     Na zestien weken eindigt Poarteboer de artikelenreeks met: "Wij willen dat Zuid-Afrika naar ons luistert. Wij zouden het ook naar hun kunnen doen."

     Zo bleef Ytzen K. Tamminga zijn leven lang luisteren en trachten "enige indrukken van de verhoudingen te krijgen". Wat ben ik blij dat hij ze op papier heeft gezet.

(1) D. Siegersma: Poarteboer, Bloemlezing uit de artikelen van Y.K. Tamminga; Friese CBTB Leeuwarden. 
(2) P.L. van Enk: De aftocht van de ARP; Kampen, 1986.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten