Posts tonen met het label Archief en bibliotheek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Archief en bibliotheek. Alle posts tonen

zaterdag 8 mei 2021

Mariama Bâ: So long a letter

My dear young friend Islica in Sierra Leone told me that he was reading an interesting novel for his final year in secundary school. The title of the book is 'So long a letter', written by the Senegalese writer Mariama Bâ in French, and later translated into English. I decided to borrow the book from the library and read it along with him. I found it difficult English - I assume the original was written in eloquent French - and I'm having some trouble lately to focus on finishing a book, so it took me some time to read it. Islica had long since finished the book. 

To keep track of who's who, I wrote down the names during the reading. The I-person in the book, who writes the letter - or letters, actually - is named Ramatoulaye. She writes to her good friend Aissatou, a goldsmith's daughter, who has divorced from her ex-husband Mawdo Bâ, a doctor and good friend of Ramatoulaye's husband Modou Fall. Ramataoulaye's son is Mowdo and her daughter Daba. Daba has a friend named Binetou, who becomes Modou's second wife. (I'm getting confused already.)

When Ramatoulaye's husband Modou dies - which is the starting point of the letter - first his brother Tamsir makes her a marriage proposal, by the end or in fact even before the end of the mourning period, and so does, but later, her good friend Daouda Dieng. When Tamsir proposes, she gets very angry and she does let him know in clear terms. Daouda, on the other hand, she likes very much, he is very thoughtful and charming, but she rejects his advances, she does not want to share the marriage again with another woman.

In the letter Ramatoulaye tells her friend Aissatou how she had to share her - now deceased - husband with an other woman. How her husband Modou pays a lot of attention to a friend of her daughter Daba. Daba tells her mother that she heard that Modou has a crush for a young woman, but she does not know that it is her own friend Binetou. Modou secretly marries Binetou and it is only on the day of the wedding, after the ceremony, that the imam tells Ramatoulaye that her husband has married a second wife, and only then daughter Daba finds out that her father's relationship is with her own girlfriend. Ramatoulaye's children think she should leave her husband, but eventually Ramatoulaye chooses to remain faithful. But her husband moves in with his second wife.

When Madou dies unexpectedly of a heart attack, there is a painful burial ceremony in which the two widows and their families compete for attention and where the mother of the second wife takes the lead. Ramatoulaye describes her pain, annoyances, experiences and life choices to her friend Aissatou. When she talks about the marriage proposal by Daouda, a member of parliament with whom she also discusses politics, her feminist views are discussed in detail.

The final lines of the book read: 

"I warn you already, I have not given up wanting to refashion my life. Despite everything - disappointments and humiliations - hope still lives on within me. It is from the dirty and nauseating humus that the green plant sprouts into life, and I can feel new buds springing up in me. The word 'happiness' does indeed have meaning, doesn't it? I shall go out in search of it. Too bad for me if once again I have to write you so long a letter...."

Read more in Wikipedia 
I found the book in the University Library Utrecht 

zaterdag 5 december 2020

Digitale zolder

Zo nu en dan sla ik een interessante tweet op in mijn digitale notitieblok. Even kijken... intussen zijn dat 29.440 tweets. Maar ja, ik zit al meer dan 12 jaar op Twitter en het is nog steeds één van mijn voornaamste informatiebronnen en - anders dan wel wordt aangenomen - het haalt mij uit mijn bubbel, want ik kom er dagelijks door in contact met veel bronnen en mensen die ik anders niet zou kennen. De reden dat ik even ging kijken hoeveel ik had opgeslagen: zojuist passeerde het totale aantal notities en documenten in mijn notitieblok de 70.000. Dankzij deze digitalisering is mijn zoldervloer gelukkig op tijd gestopt met doorbuigen en kunnen mijn huisgenoot en ik (met een stevige muur er tussen) onbezorgd en onbedolven slapen.

zaterdag 20 juni 2020

Hop

Uit de kast
Het lot wijst een boek, bladzijde, zin en woord uit de kast
van Ytzen Lont

Deze keer heeft Marjan uit Amsterdam het lot uitgekozen en dit brengt mij bij een artikel in het Utrechts Nieuwsblad van 24 december 1994. Een paginagroot artikel over scouting, een onderwerp dat mij bijzonder aanspreekt. Goed gegokt, Marjan. 

Hip hop
Journalist Bart van Oortmerssen praat met scoutingvoorlichter Theo van der Pas en hij brengt een bezoekje aan welpengroep De Vliegende Pijl, verstopt in een klein stukje groen in de Utrechtse wijk Oog in Al. Het lot wijst naar het vijfde woord van de eerste zin en ik ben zo vrij de kop boven het artikel als de eerste zin op te vatten: "Wij hip, hip, hip, hop". Ik weet niet of dit een slimme woordspeling is van de koppensneller van de krant om het nieuwe 'hippe' imago van scouting te benadrukken - ik denk 't en dat kan ik wel waarderen - of dat hij geen idee heeft waar hij het over heeft. De zin komt in het artikel verder niet voor, wel het correcter klinkende "Wij dip dip dip dop", de openingsyell van de welpen. Als een strenge schoolmeester heb ik indertijd bij eerste lezing al een corrigerende streep door het eerste "hip" van de kop gezet en er onder geschreven "dob". Ik zal ze leren! Waarom ik ze zal leren, daar kom ik straks nog op terug. Leren en luisteren is namelijk de taak van Baloe. En dat ben ik. 

* Hessengroep *
Van mijn zestiende tot mijn achttiende (1972-1974) was ik welpenleider bij de Hessengroep in Lunteren. Vandaag, zaterdag 20 juni 2020, zou de reünie zijn vanwege het 75-jarig bestaan. Ik had me er op verheugd 'mijn kinderen' en oude vrienden terug te zien, maar dat kan vanwege de coronacrisis helaas niet doorgaan. Ik ben amper twee jaar bij de padvinderij geweest, maar die tijd heeft grote indruk op mij gemaakt. Eigenlijk is mijn grote broer de ware padvinder, hij was er van jongsafaan bij. Anders dan ik kent hij alle knopen en kneepjes van de scout.  

Op een gegeven moment had je in Barneveld, waar wij opgroeiden, alleen welpen (de horde 8-12 jaar) en in Lunteren alleen verkenners (de troep 12-16). (Ik heb het nu alleen over de jongens; dat God ook meisjes had geschapen, dat wisten wij toen nog niet.) Het was dus logisch dat veel Barneveldse welpen rond hun twaalfde doorstroomden - of overvlogen, zoals dat heette - naar de verkenners in Lunteren en als ze het daarna nog niet zat waren, kwamen ze op hun zestiende terecht bij de voortrekkers (de stam). De voortrekkers vormden hun eigen bestuur en waren een kweekvijver voor nieuwe leiding. 

* Secretaris *
Mijn broer was inmiddels voortrekker geworden en de stam vergaderde bij ons in de woonkamer. Gelukkig werd ik niet weggestuurd. Pas aan het eind van de vergadering - er was inmiddels een voorzitter en een penningmeester gekozen - kwam iemand er achter dat het misschien wel handig was om notulen te maken. Gewoontegetrouw had ik, al had ik niets met het gezelschap te maken, aantekeningen zitten maken. Dat deed ik zelfs als ik televisie zat te kijken of bij de preek in de kerk. Iemand anders bedacht dat als ik mijn aantekeningen wist om te zetten in notulen, ik dan misschien ook wel de secretaris van de stam kon worden. Dat was goed. Maar een derde bedacht dat de secretaris wel lid moest zijn. En zo kwam ik bij de padvinderij. 

Kort daarvoor was er in Lunteren weer een welpenhorde opgetuigd en er was een schreeuwend gebrek aan leiding. Zo kwam het dat ik op een en dezelfde dag tot voortrekker en tot welpenleider werd geïnstalleerd. 

* Uniform *
Oprichter Baden Powell heeft 'het spel van verkennen' (want het blijft een spel) gebaseerd op zijn ervaring in het Britse koloniale leger, met rangen als hopman, vaandrig en patrouilleleider. Het uniform was trouwens niet zo zeer een uiting van militarisme, maar van gelijkheid. In de Britse standenmaatschappij niet onbelangrijk. Aan de kleren mag je niet kunnen zien uit welke klasse iemand komt. Dezelfde reden waarom Britse scholieren tot op de dag van vandaag schooluniformen dragen. Iets waar wij - terecht, vind ik - vreemd tegenaan kijken. In Londen heb ik bij vrienden op bezoek nog wel eens de schooluniformen van de meisjes staan strijken. 

* Junglebook *
Het viel Baden Powell op dat vaak jongere kinderen vanaf de zijlijn of door de ramen een nieuwsgierig kijkje kwamen nemen bij de padvinderij. Daarom bedacht hij een spelvorm voor jongens van 8 tot 12 jaar. Hij maakte daarvoor dankbaar gebruik van een boek en verhalen van zijn vriend en mede-koloniaal Rudyard Kipling: The Junglebooks. - Kipling schreef overigens ook het gedicht "The white man's burden", een aanmoediging aan de Amerikanen om de Fillipijnen, Puerto Rico, Guam en Cuba op Britse wijze te kolonialiseren en de last op zich te nemen om de wilde volkeren beschaving bij te brengen en te 'bevrijden'. Hij vond op zijn manier dat 'black lives matter', maar zijn racistisch standbeeld houdt niet lang stand. - De verhalen uit zijn jungleboeken zijn echter prachtig. Uiteraard heb ik die gelezen toen ik welpenleider werd. (Er schijnt ook een Disney-versie te zijn, maar die heb ik nooit gezien en dat wil ik graag zo houden.) 

* Eindeloze bron *
De peuter Mowgli, 'het mensenjong', verdwijnt in de jungle als de mensen rond het kampvuur worden beslopen door een tijger. Hij wordt opgevangen en opgevoed door een horde wolven. De leider van de horde is de grijze wolf Akela en de moederwolf heet Raksha. De jungleverhalen bieden een eindeloze bron van ideeën, namen en rollen voor het spel van de jonge padvinders. Bij Akela denken mensen vaak aan een vrouwelijke leidster, maar bij ons in Lunteren was Akela net als in het verhaal een man. Heb je een kwaaie nodig, dan laat je in het spel Shere-Kahn opdraven, de gemene tijger en de grootste vijand van Mowgli en de welpen. Bagheera daarentegen, de zwarte panter, staat aan de goeie kant, hij kan geweldig sluipen en is de snelste jager die er is. De olifant Hathi is één van de oudste dieren van de jungle, rechtvaardig en dapper en kan prachtig vertellen. Moederwolf Raksha verdedigt haar jongen door dik en dun, ze vindt het belangrijk dat iedereen meedoet. De dikke beer Baloe leert Mowgli de wetten van de jungle. 

* Baloe *
De namen van de leiding passen vaak goed bij hun karakter en rol. Al moest ik ook wel eens het spel leiden, ik was daar niet zo goed in, maar ik sjokte vaak mee met de achterblijvers van de groep en kon eindeloos luisteren en raad geven. De naam Baloe paste bij mij. Vorig jaar las ik in de nieuwsbrief van Scouting Lunteren dat Baloe - van de huidige leiding - was overleden. Dat heeft natuurlijk een grote impact op de jongens. Pas toen ik een condoleance stuurde naar de groep, ervaarde ik hoe diep de naam Baloe in mij zit, al ben ik maar twee jaar als zodanig actief geweest. Baloe is dood. Baloe dat ben ik. 

* Vrijgevochten *
De Hessengroep in Lunteren was trouwens een vrijgevochten bende, met weinig achting voor ceremonies, vlaggen, uniform en regels. Maar voor officiële gelegenheden of districtswedstrijden werd alles nog snel serieus bijgespijkerd en iedereen zette dan z'n beste beentje voor en deed het best goed. Ik vergelijk het met de naam die Nederlandse soldaten hadden bij Navo-oefeningen in Duitsland: langharig werkschuw tuig, maar als het er op aankwam taakgericht en gemotiveerd en de beste soldaten van het bondgenootschap. Die cultuur - terecht of niet - vinden we nu weer terug in het begrip 'intelligente lockdown'. 

Lunteren heeft wel het mooiste terrein van heel Nederland. We konden de verkenners bij wijze van spreken veertig kilometer oostwaarts sturen, tot aan Apeldoorn of de IJssel, zonder een stad of dorp tegen te komen. We zaten niet verstopt in een stadswijk, maar de hele Veluwe was van ons. 

* Yell *
Dan terug naar de hippe yell aan het begin. Laat ik het als Baloe nog één keer uitleggen. Elke opkomst begint met de horderoep, de 'grand howl' of het grote gehuil van de wolven. De welpen verstoppen zich in het bos, behalve Akela en één van de jongens, de nestleider van dienst. Die blijven op de 'raadsrots', het centrale punt van samenkomst. Zoals gezegd hadden wij in Lunteren een complete jungle tot onze beschikking, dus dat werkte heel goed. Als iedereen weg is, roept de nestleider "yalahiiii!" en dan komen alle welpen aangelopen en ze vormen een cirkel. Akela draait met gestrekte arm als de grote wijzer van de klok een cirkel en elke welp waarnaar ze wijst gaat zitten met zijn armen tussen zijn benen, als voorpoten op de grond gezet. Als iedereen gehurkt is, gaan ze weer staan, brengen de groet en zeggen in koor: "Akela wij doen ons best. Djib, djib, djib, djib. Wij dob dob dob dob. Woef!" Bij "woef" worden de rechterhand en voet vooruit gestoken. Djib komt van het Engelse 'dyb', do your best, en dob betekent (wij) doen ons best. 

Het is dus niet hip en hop, maar djib en dob. Of het nóg zo gaat, weet ik niet. Dat had ik vandaag willen vragen op de reünie, maar daar kwam een virus tussen. Baloe is intussen bijna net zo oud als de oude olifant Hathi en vertelt alleen nog verhalen van vroeger. 






woensdag 6 mei 2020

Verloren

Uit de kast
Het lot wijst een boek, bladzijde, zin en woord uit de kast
van Ytzen Lont

Pim Fortuyn is dood. 

Het is maandagavond 6 mei 2002. Vandaag achttien jaar geleden. 

Mijn moeder en ik zijn die maandagmiddag aangekomen in het Friese IJlst voor een weekje in onze caravan aan het water. De week van Hemelvaart. Het avondlicht strijkt over het water van de Geeuw. We hebben ons net geïnstalleerd, de koffie is gezet en we zitten klaar voor het journaal. Dan is er die omroepstem van Nederland 1, net voor de reclame: "Het programma wordt aangepast vanwege de aanslag op Fortuyn". Mijn moeder en ik kijken elkaar verbaasd aan. We weten van niets. Weer een taartgooier? Dan boinkt het journaal ons vakantiehuisje binnen. 

Pim Fortuyn is dood. 

Het lot
Deze week wil ik een oud idee weer oppakken. Een blog schrijven over een willekeurige, door het lot aangewezen tekst uit mijn archief of boekenkast. Gedreven door een rondwarend virus ben ik fanatiek begonnen mijn zolder op te ruimen. Als mijn nabestaanden de rommel achter mij moeten opruimen, dan moeten ze er op z'n minst bij kunnen. Een vriendin heeft mij op Bevrijdingsdag een cijferreeks gestuurd waarmee ik langs de stellingkasten ben gelopen. Stelling 2, kast 3, plank 6. Haar lotnummer leidt mij naar een tijdschriftbox die nog geen plek gevonden heeft. Kamerverkiezingen 2002. De cijfers sturen mij verder. Stof dwarrelt op en mijn adem stokt, als ik blader door het mapje Fortuyn vermoord. Uiteindelijk brengt het lot mij bij de Volkskrant van 7 mei 2002, de ochtend na de moord. Ik tel door naar regel 6 derde woord: "... onschuld heeft verloren". Zo heeft het lot beslist.

In drie minuten schrijf ik uit het hoofd drie vellen papier vol met associaties en herinneringen bij dit nieuws. Dit kan geen kort blogje worden en het móet vandaag geschreven worden. Het is chaos in m'n bovenkamer. Juist deze ene krant. Je kunt me midden in de nacht wakker maken en ik weet hoe deze voorpagina er uit ziet. Juist vandaag, 18 jaar na de moord. Die actueel blijft. Afgelopen week heb ik het bericht opgeslagen dat de moordenaar na 18 jaar definitief vrij is. Hij kreeg 18 jaar met aftrek van voorarrest. Mede naar aanleiding van dit vonnis is het maximum voor moord in Nederland verhoogd van 20 naar 30 jaar. Ik geloof niet dat zwaarder straffen helpt om misdaad uit te bannen. Maar ik heb nu wel voor het eerst ervaren hoe kort zo'n straf aanvoelt als je de mens kent die is omgebracht.  

Volkskrant 7 mei 2002 Fortuyn vermoord

Omstreden foto
Die voorpagina. Een grote foto over de volle breedte. Op de grond een dode man in keurig pak. Het lijkbleke gezicht, het bloeddoorlopen wondverband. De mond half open, de handen in plastic zakken verpakt. Deze onbeschaamde foto en fotograaf Robin Utrecht die stiekem over het hek van het afgesloten mediapark geklommen was, dit ging toch alle fatsoensnormen te buiten. En toch: dit en niets anders was het nieuws. Pim Fortuyn is dood. Als ik de hoofdredacteur was geweest, zou ik waarschijnlijk ook over mijn eigen grenzen zijn heengestapt. Want wat kan je op zo'n moment anders dan dit nieuwsbeeld brengen? 

Mijn eigen normen zijn met de tijd ook verschoven, al heb ik er nog wel een paar expliciete opvattingen over. Toen mijn vader overleed in 2001 heb ik met trillende handen stiekem een foto gemaakt van zijn lichaam in de kist. Ik schaamde mij er voor en heb het niemand verteld. Een dode fotografeer je niet. Hij is machteloos, kan niet weigeren, zich niet verweren, je doet er alles aan om zijn of haar waardigheid te beschermen. Dat is ook één van mijn bezwaren tegen cameratoezicht. Het is eenzijdig. De eerste bussen met camera liet ik aan mij voorbijgaan en nog niet zo lang geleden ben ik van dokterspraktijk veranderd omdat het menselijk oog daar was vervangen door een eenzijdige camera. Kijken naar een ander hoort wederkerig te zijn. Je kijkt elkaar aan. Ogen zijn de spiegel van de ziel. Je ziet hoe iemand reageert en je handelt daarnaar. Als kind al leren we om niet te staren maar na korte tijd bescheiden weg te kijken. Normen schuiven. Toen mijn moeder in 2012 overleed heb ik, in overleg met mijn familie, zonder al te veel aarzelen een paar foto's gemaakt. Het voelde respectvol in plaats van een inbreuk op haar waardigheid. Mijn aarzeling betrof wel het willen vasthouden van wat losgelaten moet worden. 

Schokkende beelden 
Vroeger werden in de media nooit doden getoond, nu steeds meer. Het nieuws mag getoond worden, maar als ik de baas zou zijn van het Journaal dan had ik wel een paar strikte instructies. Eén daarvan: gebruik gruwelijk nieuws niet in promo's of als 'logo' of beeldvullende achtergrondfoto, blijf het ook niet eindeloos herhalen. Het is te vergelijken met 'functioneel naakt' in speelfilms. Die moord, die aanslag, dat ongeluk mag getoond worden als het nodig is om het nieuws te brengen. Maar blijf het beeld - en de mensen die het betreft - met respect en zelfs 'taboe' behandelen, iets waar je eigenlijk niet aan mag komen, in een besef van kostbaarheid en kwetsbaarheid. Het gaat hier om respect; in hoeverre je "beelden die als schokkend kunnen worden ervaren" kunt tonen, is weer een andere kwestie. De foto van het lichaam van Pim Fortuyn vind ik ook vandaag nog schokkend, omdat ik het gevoel heb dat ik hem kende, al heb ik hem nooit ontmoet. Ik herinner mij andere schokkende beelden. Bijvoorbeeld een lynching van Engelse soldaten in Noord-Ierland, ook al was het geweld niet te zien. Waarom zo schokkend? Omdat we de twee mannen eerst in levende lijve zien, zich vastlopend in een woedende menigte. In een kort ogenblik leren we hen kennen en we hopen dat het goed afloopt. Dan even is er niks en daarna liggen ze daar dood. De politieagent die op wacht staat tijdens de aanslag op Charlie Hebdo in Parijs, die zich verweert met zijn arm: het dodelijke schot is er uitgeknipt, maar niet het schot is het schokkendst, maar dat afwerende gebaar. 

Over de dood van Pim Fortuyn ben ik nog steeds geschokt. Een mensenleven is wreed afgebroken. Op dezelfde voorpagina lees ik over het radiointerview net voor zijn dood: <<Fortuyn reageerde heel erg sprankelend>> en: <<Ruud de Wild vroeg hem: Hoe oud wil je worden? Fortuyn zei: 'Toen ik 14 was, wilde ik altijd 87 worden. En dat wil ik nog steeds.'>> 

Politiek stond ik niet aan zijn kant, integendeel, ik vond zijn opkomst zorgelijk en heb er ooit wakker van gelegen. Zijn columns in Elsevier gaven stof tot nadenken. Zelden was ik het met hem eens, maar een columnist mag ver gaan. Zijn idee dat ons leger Suriname moest binnenvallen, nou, dat kan de gedachten scherpen. Dat hij premier van Nederland wilde worden, leek mij een leuke stijlfiguur. Net zoals ik mij hierboven even voorstelde dat ik de baas zou zijn van het Journaal. Maar ik begon ongerust te worden, toen het langzaam tot mij doordrong dat het geen stijlfiguur was. 

Kogel van links
In de krant van 7 mei zijn al veel typeringen te lezen die we later nog vaak zullen horen. We zullen doorgaan "in de geest van Pim" wordt er gezegd en "de kogel kwam van links". Dat laatste is zowel een open deur als een mythe. Een open deur omdat als een 'rechts' iemand aangevallen wordt, de dader uiteraard 'links' gezocht moet worden. Een mythe omdat de harde kritiek van linkse politici niet de deur opent naar geweld. De moordenaar zal eerder door het lezen van Elsevier gemotiveerd zijn dan door het luisteren naar Rosenmöller. Toch moeten we op onze woorden passen, 'tegenstanders' altijd met respect bejegenen, niet op de man spelen. Dat is het verwarrende: er werd lelijk over Fortuyn gesproken, te lelijk, maar hij effende ook de weg waarop het gewoon geworden is dat er lelijk gesproken kan worden over anderen. Het begint met woorden, zei Arnon Grunberg eergisteren - 4 mei 2020 - bij de nationale Dodenherdenking in Amsterdam. 

Elite en volk
Nadat mijn moeder en ik die maandagavond in de caravan lange tijd verdwaasd naar het nieuws hadden zitten kijken, ben ik tegen de schemering naar buiten gegaan om even uit te waaien tijdens een wandeling over het grindpad langs de Geeuw. Toen mijn gedachten waren bezonken en ik terugging naar mijn moeder, besefte ik dat we in een andere wereld waren beland. Nederland zou nooit meer hetzelfde zijn. In Den Haag was een begrijpelijke maar beangstigende revolutie uitgebroken, die uiteindelijk gelukkig beperkt bleek te blijven tot één brandje in een parkeergarage. De ervaren en doorgewinterde politicus minister Klaas de Vries stond trillend met een papiertje in de hand alsof hij zijn eerst spreekbeurt moest houden de pers te woord. Zelden heb ik hem zo authentiek gezien. Bang, geschokt. Die avond besefte ik dat ik tot de 'elite' behoor en dat gevoel heb ik nog steeds, al heb ik geen idee wat dat inhoudt. Ik ben de zoon van een boerendochter en een bakkerszoon die timmerman werd, ik heb mavo en typen en van mijn opleiding nooit hoogst genoten. Toch behoor ik niet tot het volk maar de elite. Niet zozeer omdat ik geen fan ben van Mieke Telkamp of de Zangeres zonder Naam, maar omdat ik mij thuisvoel bij de Oude Politiek. Een politiek van vertegenwoordiging, afweging en redelijkheid. Respect voor de rechtstaat en instituties. Ik had meer vertrouwen in een stijve Klaas de Vries dan een sprankelende Pim Fortuyn. Tot 6 mei 2002 kon ik mijzelf misschien nog progressief noemen. Vanaf die dag was ik in één klap conservatief (dus "links"). Intussen voelt het volk zich een paar rechtse partijen en omroepen later nog steeds ongehoord, ook al interviewt het NOS Journaal nu iedereen op straat die toevallig een sirene heeft gehoord als er ergens een ongeluk is gebeurd. Dit is me het meest bijgebleven van de Fortuynisten en nu weer van de Trumpianen: dat verongelijkte gevoel van niet gehoord te worden. En misschien hebben ze daarin gelijk (maar misschien ook niet). 

Lost innocence, nonsense
De journalist Ian Burama maakte een week na de dood van Fortuyn korte metten met het idee van verloren onschuld. Ik tref het artikel aan in dezelfde map. Onder de kop What Pim en Diana had in common schreef hij op 14 mei 2002 in de Guardian: "Talk about the lost innocence of Dutch democracy, much aired in the Dutch press, is surely nonsense. When was Dutch democracy ever innocent anyway?" Hij concludeert: "This, then, is why Fortuyn and other telegenic populists, of whom we will probably see many more, score. They have no answers to our most pressing problems either, but at least they raise them in a way people can understand. Like Princess Diana, they manage to embody a multitude of often conflicting discontents".

Al ben ik geen Fortuynist, ik voelde me ook verloren en verdrietig - en nog wel - om deze man die zijn leven heeft verloren. 





woensdag 8 april 2020

Belang der openbare gezondheid

Altijd nuttig om in tijden van crisis je zolder op te ruimen.
Wéér wat gevonden.

Program van beginselen der Antirevolutionaire Partij
10 januari 1934

Artikel XVI. In het belang der openbare gezondheid acht ze, dat de Overheid te waken heeft tegen 
vervalsching van levensmiddelen; tegen verontreiniging van den publieken weg en tegen vergiftiging van den dampkring of het water; zorg heeft te dragen voor zindelijkeid in haar eigen huishouding; zich houde aan de eerbare begrafenis der lijken; en voorts bij het zich vertoonen van besmettelijke ziekten (behoudens de vrije beschikking van een iegelijk over zijn eigen lichaam en zijn eigen consciëntie) al zulke maatregelen heeft te nemen, als strekken kunnen en onmisbaar zijn om te voorkomen, dat iemand, onwillens of onwetens, met de smetstof dezer ziekten in eene voor hem gevaarlijke aanraking zou treden, of, werd hij zelf besmet, zijn smetstof op anderen zou overbrengen. 

donderdag 3 oktober 2019

Personeel van de keizer

Persbericht Museum Huis Doorn 2-10-19

Oproep: Museum Huis Doorn zoekt informatie over personeelsleden van ex-keizer Wilhelm II

Herinrichting dienstvertrekken
Museum Huis Doorn is gestart met een project dat de reconstructie van de dienstvertrekken op de zolder van Huis Doorn tot doel heeft. Onderdeel van dit project is een onderzoek naar het personeel dat in dienst was van de laatste Duitse keizer Wilhelm II. Museum Huis Doorn wil meer inzicht krijgen in wat er nodig was om een huishouden in een groot landhuis draaiende te houden en de hoe sociale verhoudingen lagen.

Wie waren de personeelsleden en hoe zag hun werkdag eruit?
We zijn voor dit project specifiek op zoek naar personeelsleden of nabestaanden van personeelsleden die werkten op Huis Doorn in de jaren 1920-1953. Wie waren deze mensen, hoe zag hun werkdag eruit, voor welke taken waren ze in dienst genomen? Hoe hebben ze hun 'diensttijd' ervaren? Zijn er nog persoonlijke bezittingen bewaard gebleven van deze personen? En vertellen deze objecten iets over hun werktijd op Huis Doorn?

Kent u personeelsleden?
Van veel personeelsleden kennen we de naam niet. Over hen zouden we graag meer te weten komen. Maar ook over de personeelsleden waarvan we naam kennen zoeken we informatie.

Dit zijn de namen die bij ons bekend zijn:
De heren:
Barend Barneveld, Willem van Barneveld, Piet van Duivenvoorde, Hugo Wilhelm Fernau, Cornelis van Ginkel, Gert Hardeman (ook bekend als 'Oscar'), Adriaan van der Heijden, Wim van der Heijden, Bart van Mourik, Gerrit Nieboer, Bart Petersen, Willem Reede, Kees Rensen, Gerrit van Veenendaal
De dames:
Mej. de Beaulieu (D), Dien Beekman, Johanna Broekhuizen, Mien van Dijk, Stien Dorrestein, Mina van der Grift, Mej. von Furche (D), Mej. von Karst (D), Mijntje Koetsier, Riek Maartens, Wilhelmina Meertens, Fien van Oudbroekhuizen, Stien Stoltenkamp, Rie Spanje, Coba Veenendaal, Gerrie Veldhuizen, Jenny Velthuizen, Greet van Vliet, Mej. von Weferling (D), Mej. von Wiske (D)
Families:
de heer en mevrouw Turke (D), de heer en mevrouw Groth (D), de heer en mevrouw Prawitt (D), de heer en mevrouw Lange (D)

Uw informatie helpt ons onderzoek verder!
Heeft u informatie over personeelsleden en/of persoonlijke bezittingen en wilt u deze informatie met ons delen? Neem dan contact met conservator Wendy Landewé via collectiebeheer@huisdoorn.nl. Alle informatie zal vertrouwelijk worden behandeld en niets zal worden gepubliceerd zonder uw uitdrukkelijke toestemming!

maandag 19 november 2018

Het geheim van spontaniteit

Ik schrijf iedere zin vier keer: 
één keer om mijn mening vast te leggen,
één keer om er alles in te voegen wat ik vergeten had, 
één keer om alles eruit te halen wat overbodig lijkt
en één keer om het allemaal zo te laten klinken alsof ik het net had bedacht. 

Margery Allinghan, Engels romanschrijfster
(Gelezen in een oude Het Beste, in aug. 1977)


Citaat 8/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

zondag 18 november 2018

Don't call us Dutch

There is only one objection I have against the Scottish people: you call us 'Dutch' and is it not we, but the Germans, who are 'Dutch' or 'Deutsch'. 1) Call us Frisians, Flemings, Hollanders or better Netherlanders, but not Dutch. We feel all but love for the Dutch or German nation and the invisible sea of hatred between Holland and Germany is wide and as deep as the real sea between Holland and Scotland. 

1) Vandaar zijn latere verzet tegen de term 'Dietsch'; hij gaf de voorkeur aan Heel-Nederlands. 
- Dr. L. Bunning. 

Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard, op een spreekbeurt tijdens zijn studie in Schotland. (Gelezen in een boek over Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard van Dr. L. Bunning in maart 1977. Jan Derk, een oom-zegger van de bekende Ferdinand, was o.a. predikant te Odijk. Hij was een voorstander van de hereniging van Vlaanderen met Nederland in de zogeheten Groot-Nederlandse Beweging, eind 19de eeuw.)

Citaat 7/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

zaterdag 17 november 2018

Kronkel

Tegenwoordig behoort een minnares tot het gewone levensmiddelenpakket van de modale werknemer, maar in die dagen werd nog vrij algemeen aangenomen dat er een moraal bestond. 

Fragment uit 'Karakter', door Simon Carmiggelt alias Kronkel in het Parool, 2 maart 1977 (gelezen in de Volkskrant 7 maart 1977 n.a.v. de P.C. Hooftprijs). 


Citaat 6/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

vrijdag 16 november 2018

Flexibele journalistiek

Aanpassing aan het nieuws is al zo oud als de krant zelf. Het klassieke voorbeeld is wel de opeenvolgende koppen in een Parijs' blad die over Napoleons ontsnapping uit zijn verbanningsoord Elba berichtten: 

"Het Corsicaanse monster is geland in de golf van Juan"

"De kannibaal rukt op naar Grasse"

"De usurpator is Grenoble binnengetrokken"

"Bonaparte is in Lyon aangekomen"

"Napoleon rukt op naar Fontainebleau"

"Zijne Keizerlijke Majesteit wordt morgen in Parijs verwacht"

(Eens gelezen in een oud nummer van Het Beste)


Citaat 5/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

donderdag 15 november 2018

Wonderlijk bewegen

Hoe komt, wanneer zo'n zes à zeven pond
de moederbuik verlaten,
dat wonderlijk bewegen in zo'n wicht?
Wie geeft de ogen licht, 
die mond het eerste lachje? 
Doe jij dat Kees,
of God, 
wat dacht je? 

Toon Hermans
(Gelezen in kopij bij Hoonte, juli 1977)

Citaat 4/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

woensdag 14 november 2018

Niet alleen brood

Sport is niet meer weg te denken en zéker niet te onderschatten cultuurverschijnsel. Sport en spel zijn een zeer voorname plaats in het leven van de mens gaan innemen. Tegenstanders kunnen er niet meer mheen. De mens leeft niet (meer) van brood alleen.

(Gelezen in kopij voor Jubileumboek Rabobank Venlo, juli 1977, accentuering van mij.)

Citaat 3/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

Toelichting: 

Hier wordt een uitspraak van de Romeinse dichter Juvenalis in Satire X "brood en spelen" (panem et circenses) en de bijbeltekst "De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God" (Matteüs 4:4) door elkaar gehaald. De frase "Niet bij brood alleen" werd vooral bekend als titel van het eerste verkiezingsprogramma (1977-1981) van het CDA, maar werd dus niet door iedereen begrepen. 

dinsdag 13 november 2018

Vorm

Ik vind mijn vorm
waar ik mijn grenzen voelde.

Ik vind mijn wezen
daar waar ik niets bedoelde
dan mens te zijn voor God
naar wie ik heet!

W. Bernard
(Gelezen bij Jan Zomer, Barneveld,
aug. 1977) 

Citaat 2/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

maandag 12 november 2018

Mozes

Aan Ytzen (*) zal niet worden gevraagd
waarom hij (**) geen Mozes is geweest. 

Aan Ytzen zal wel worden gevraagd
waarom hij geen Ytzen is geweest. 

Gelezen op een affiesje bij Jan Zomer, Barneveld,
augustus 1977 (* Susja ** zij)

Citaat 1/32 uit mijn Citatenschrift 1977-1983.
Een oud mapje met handgeschreven citaten.
Die laat ik hier nog eens de revue passeren.

donderdag 7 december 2017

Krant cadeau

De dagbladen zijn weer druk bezig zichzelf cadeau te geven. Van meerdere vrienden kreeg ik de vraag of ik gratis een aantal weken dagblad Trouw of de Volkskrant wilde lezen. Vanmiddag ontving ik een mail van de Volkskrant en mocht ik ook zelf iemand acht weken de krant cadeau geven. Een paar uur later kwam daar een tweede email van de Volkskrant overheen met excuses dat deze mail aan mij "als lezer van Trouw" was gestuurd. Nou ben ik op geen van beide kranten geabonneerd en eigenlijk maakt het mij niet uit of ik iemand de Volkskrant cadeau kan doen als lezer van Trouw, de Volkskrant, de Libelle of de Donald Duck. Maar na wat nader onderzoek bleek dat ik helemaal niemand de krant op hun kosten cadeau mag doen. Misschien had dát dan in het mailtje moeten staan en hadden de excuses dáárover moeten gaan.

Er was een tijd dat ik op elk cadeau- of proefabonnement direct ja zei, nog voordat de vraag was gesteld. Soms tot schrik van de medewerkster van het outbound call center, omdat zij helemaal in de war raakte met haar protocol of belscenario. Dat voorziet in talloze routes en schema's met argumenten en tegenargumenten om de potentiële klant tot een ja te verleiden. Als de klant bij de eerste spatie al ja zegt zegt, loopt het gesprek natuurlijk op de eerste regel al uit het scherm.

Tegenwoordig wil ik echter geen of zo weinig mogelijk papieren kranten meer in huis. Het in alle vroegte door weer en wind op pad sturen van bezorgers vind ik sowieso een grove inbreuk op de universele rechten van de mens. Dáár zouden ze eens blauwhelmen of het Leger des Heils op af moeten sturen. En waarom zou ik het gedrukte nieuws van gisteren moeten lezen!? Dat is nog nauwelijks gerijpt... Maar bovenal vind ik het lezen - en bewaren - van grote vellen dubbel gevouwen papier erg onhandig en onnodig. Als ik tegenwoordig een interessant artikel zie, zit het met een paar klikken in mijn leesmap of archief, zonder dat het ruimte inneemt. In Evernote, slechts één van mijn cloud-toepassingen, nader ik nu de 30.000 'notes' zonder dat het me ooit gelukt is om ook maar in de buurt te komen van m'n maandelijkse datalimiet.

Al meer dan een halve eeuw (sinds 28 april 1967 om precies te zijn) bewaar ik trouw oud nieuws en mijn zoldervloer begint inmiddels trekken te vertonen van een Eindhovense parkeergarage. Nou heb ik geen parkeergarage nodig, maar m'n zoldervloer klust bij als plafond van m'n slaapkamer en dat zie ik liever niet op mij af komen.

Een Trouwe vriend heeft voor mij nog bij de krant nagevraagd of hij mij dan een digitaal abonnement cadeau mocht doen, maar daarmee kon de krant de gulle gever niet van dienst zijn. Het paste zeker niet in de fietstassen van de bezorger.

donderdag 9 november 2017

Eerste Wereldoorlog

(Fascimile. Collectie Ytzen Lont)
Zaterdag 11 november is het 99 jaar geleden dat de wapenstilstand werd getekend die het einde van de Eerste Wereldoorlog (WO1) markeerde. In 2018 wordt het einde van WO1 overal ter wereld groots herdacht.

Vier jaar lang maakt de Eerste Wereldoorlog wereldwijd slachtoffers. Hoewel Nederland buiten de strijd blijft, worstelt ons land met vluchtelingen, persvrijheid, mobilisatie, schaarste en de neutralisatie zelf.

Museum Huis Doorn organiseert in 2018 vijf projecten

EersteWereldoorlog.nu coördineert de activiteiten. Huis Doorn is in Nederland de plaats van herinnering. Er zijn vijf bijzondere projecten over de betekenis en de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog.

A. ‘Tastbare herinneringen aan WO1’
Documentaireserie over de wijze waarop de mondiale Eerste Wereldoorlog Nederland lokaal beïnvloedde, wordt aan de hand van WO1 erfgoedlocaties in Nederland belicht.

B. Living History evenement (26 en 27 mei 2018)
Re-enactmentgroepen verbeelden tijdens een tweedaags evenement op landgoed Huis Doorn het leven van militairen, artsen, verpleegsters en burgers uit de Eerste Wereldoorlog.

C. Beeldententoonstelling Oorlog en Vrede in Beeld (17 aug 2018 – 27 jan 2019)
Museum Huis Doorn geeft een overzicht van gebeeldhouwde topstukken, met als kern het werk van Käthe Kollwitz, die gemaakt zijn naar aanleiding van en in reflectie op beide wereldoorlogen.

D. Symposium Vredespaleis (10 november 2018)
Gerenommeerde wetenschappers staan stil bij de actuele en historische betekenis van WO1 voor Nederland. Thema’s die worden besproken zijn; neutraliteit als morele kwestie, het revolutiejaar 1918 en het veranderende veiligheidsdenken, de ontwikkeling van het internationaal recht en de toekomst van het herdenken van WO1 in Nederland.

E. Publicatie ‘Gekroond en onttroond. De Duitse keizer in Nederland’ (najaar 2018)
In de publicatie staan de functies van en veranderingen in de militaire uniformering voor, tijdens en na WO1 centraal. Met dit standaardwerk wordt de collectie militaria van Museum Huis Doorn in zijn historische context geplaatst en op unieke wijze ontsloten.

Meer informatie:
http://www.eerstewereldoorlog.nu/
http://www.huisdoorn.nl/nl/

Bron: Persbericht van Huis Doorn 9.11.2017.

zaterdag 7 oktober 2017

Correctieve coöperatie

Mijn grootvader, pake Ytzen Tamminga, had van 1934 tot 1968 een wekelijkse rubriek in een landbouwblad onder het pseudoniem Poarteboer. Hij was boer onder de rook van Leeuwarden, waar nu het vliegveld is. Van daaruit keek hij aan de ene kant uit op het platteland, de landbouw, en aan de andere kant de stad, de polis, de politiek. Zoals in bijbelse tijden bezag hij het leven vanuit de stadspoort.

IJ.K. Tamminga is een voorvechter van de coöperatie en vindt dat alle boeren moeten samenwerken. In 1934 begint hij zijn rubriek als propagandist van de boerenorganisatie. Hij schrijft: "Kort samengevat heeft Poarteboer zich tweeërlei doel voor ogen gesteld: 1. Alle 'rechtsche' boeren lid van de C.B.T.B.; 2. Alle boeren lid van diverse, bijzonder van de zuivel-organisaties."

In digitale archieven wil ik nog wel eens het trefwoord "Poarteboer" intypen. Hij wordt vaak geciteerd, vooral in de Leeuwarder Courant, waar hij een haat-liefde-verhouding mee had. Zelf las hij het christelijke Friesch Dagblad, maar hij wisselde de krant soms uit met de buurman.

In de krantenbank Delpher.nl vond ik vandaag op het trefwoord "Poarteboer" een verslag in de Maas- en Scheldebode, antirevolutionair orgaan voor de Zuidhollandsche en Zeeuwsche eilanden. Op de voorpagina van 6 januari 1937 (dus daags voor het huwelijk van Juliana en Bernhard) lezen we dat minister-president Colijn geen wereldoorlog ducht.

"Duitschland streeft naar koloniaal bezit omdat het dan een deel zijner grondstoffen in eigen valuta betrekken kan en zich daarvoor geen vreemde deviezen hoeft te verschaffen. Zodoende komt men ook bij dit probleem weer terug tot de stelling dat de groote wrijvingsvlakken in de wereld slechts zullen verdwijnen bij een gezond monetair stelsel gepaard aan een gezonde handelsbeweging"

Colijns goede hoop is, zoals we nu wel weten, ijdel en naïef, en dat geldt ook voor zijn beleid, maar met zijn stelling hier ben ik het niet geheel oneens.

Voor Poarteboer moeten we een paar bladzijden verder bladeren. De krant doet verslag van de bondsconferentie van de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB), waar die dag de behandeling van het onderwerp landbouwcoöperatie wordt voortgezet. Een dag eerder heeft IJ.K. Tamminga hierover een inleiding gehouden. Zijn enthousiasme voor de coöperatie wordt niet door iedereen gedeeld. "Gewezen werd daarbij op de groote gevaren, die coöperatie met zich meebrengt wanneer deze in alles doorgevoerd wordt en het particulier initiatief, dat altijd zooveel tot stand gebracht heeft weten te brengen, er niet door gedood wordt." (Volgens mij zit er een niet-tje te veel in deze zin.)

Tamminga wordt gegispt. "Vooral aan Poarteboer, de schrijver in 'Ons Platteland', het orgaan van de Bond, werd de raad gegeven niet zoveel over de coöperatie te schrijven. Dat niet-coöperatoren parasiteeren op de anderen volgens de uitdrukking van inleiding Tamminga werd streng gegispt. Niemand minder dan Dr. [Abraham] Kuyper heeft indertijd uitgesproken dat de middenstand de ruggegraat is van de maatschappij. Toch heeft de coöperatie ook recht van bestaan en vormt ze een correctief op uitwassen van vrije handel." 

De boeren hebben ontzaglijk veel aan de coöperatie te danken, vindt men (applaus!), maar er moet plaats blijven voor eigen initiatief. Inleider Tamminga ziet in de coöperatie nog best voldoende ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. "Landbouw en middenstand moeten in goede verhouding blijven leven. De drijvende richting van de coöperatie is zich te verweren tegen het monopolititisch streven van groote lichamen, die alles willen overheerschen."

Zie: Delpher * Maas- en Scheldebode 06/01/1937

Lees ook mijn artikel over Poarteboer IJ.K. Tamminga in Friesch Dagblad 18/07/1986




zaterdag 18 februari 2017

Fantastisch bedrijf

Het Amerikaanse voedingsconcern Kraft Heinz wil het twee keer zo grote Nederlands-Britse Unilever overnemen. Voorlopig is het daar nog niet in geslaagd.

Ik ben meteen in mijn herinnering en archief gedoken en twitterde:

“Sorry Heinz, ik probeerde in 1970 al om Unilever over te nemen en het is mij toen ook niet gelukt.”

Hier volgt mijn verhaal.

Op 21 oktober 1970, ik was net vijfien jaar, schreef ik Unilever deze brief:

“Mijn heren, aangezien ik plannen heb om Uw concern geheel op te kopen wens ik zo spoedig mogelijk alle informatie over uw bedrijf. Ik interesseer mij bijvoorbeeld vooral in de namen van Uw fabrieken en Uw handelsmerken. Graag schriftelijk inlichtingen hierover. Een rondleiding zou ik overigens niet afslaan. Ik neem aan dat, als ik Uw concern overneem, bij contante betaling een korting van 15 – 45 % wel te regelen is. Bij voorbaat dank. In zeer hoogaangeslagen verwachting verblijf ik, hoogachtend, Ytzen Lont”.

Waarom schreef ik deze brief? Niet lang daarvoor had ik in het weekblad De Spiegel een artikel gelezen over de vraag: waarom beconcurreert Unilever zichzelf. Voor het eerst drong goed en wel tot mij door dat één concern meerdere fabrieken en merken kon hebben, zelfs van gelijke producten. Bijvoorbeeld concurrerende margarine­merken. Dat een 'merk' niet altijd de naam van een fabriek is, maar een handelsmerk, een marketinginstrument. Om verschillende doelgroepen te kunnen bedienen en aan zich te binden. Met verschillende wensen, smaken, leefstijlen en uitgavepatronen. Het artikel opende een onbekende wereld voor mij. Ook was ik verbaasd dat Unilever zó groot was, met zóveel fabrieken en merken. Ik was daar erg nieuwsgierig naar. Eigenlijk ging het mij er dus gewoon om te weten welke merken van Unilever waren. En die vraag heeft Unilever goed begrepen. Binnen een week kreeg ik antwoord.

“Weledelgeboren Heer, Uw schrijven van 21 oktober hebben wij met belangstelling gelezen. In verband daarmee zenden wij u hierbij toe het Jaarverslag 1969 van Unilever N.V. en daarin bevindt zich een inlegvel met de belangrijkste produkten die door onze onderneming op de Nederlandse markt worden gebracht. Hoogachtend, A. Braakman.”

Het jaarverslag heb ik niet meer, maar het inlegvel met een opsomming van producten en merken nog wel. Daar was het mij eigenlijk ook om te doen geweest en ik vond dat waanzinnig interessant.

Waarom goot ik de brief in deze vorm, waarbij ik deed alsof ik het hele concern over wilde nemen? Was dit grootheids­waanzin van een vijftienjarige? Dat valt wel mee. Het was deels als grap bedoeld, deels als oefening en deels omdat ik door dat artikel zo onder de indruk was van dat hele concern-idee met al die overnames van bestaande kleinere fabrieken en merken.

Op m'n twaalfde had ik, samen met mijn oudere zus, in Ede de avondcursus Machineschrijven en Kantoorpraktijk van Scheidegger gevolgd. Ik leerde dus al heel vroeg typen, maar ook alles over handelscorrespondentie en de Amerikaanse en Hollandse briefindeling, waar indertijd strenge normen voor golden. Kort na m'n dertiende verjaardag behaalde ik het diploma met drie achten en een typsnelheid van 219 aanslagen per minuut, 99 boven de vereiste 120. Het enige diploma waar ik ooit wat aan heb gehad in m'n leven! Vandaag de dag zou ik met minder dan 400 aanslagen per minuut geen genoegen meer nemen en ja, ik heb wel eens een medewerkster ontslagen vanwege haar aanslag. Maar goed, vanaf mijn twaalfde greep ik dus elke gelegenheid aan om mijn typvaardigheid op peil te houden. Voor de leraar Frans typte ik tegen een kleine vergoeding de proefwerken uit voor de ouderejaars. Ik moest nog wel wat bijleren, want de eerste keer typte ik alles keurig op het kartonnen schutblad in plaats van op het dunne stencilpapier waar de inkt door de letters heen moest vloeien. Dus dat moest ik overdoen. Vanaf m'n veertiende schreef ik bij wijze van hobby veel ambassades en ook grote bedrijven aan om informatie. Ik kan dat elke scholier aanraden. Ik kreeg het prachtigste progapagandamateriaal toegezonden, foto's, full color brochures, tijdschriften, boekwerken. Van de Braziliaanse ambassade kreeg ik een mooi boek over de geografie en natuur van dat land. Van de Russen ontving ik een serie tijdschriften over de pracht en praal van de sovjets. Ook Shell en de Navo heb ik aangeschreven. Dus ik kreeg wel enige vaardigheid hoe ik dat aan moest pakken. Meestal vroeg ik gewoon direct om informatie, maar na het lezen van het artikel in De Spiegel over Unilever, over de vele tentakels van het concern, besloot ik het dit keer eens anders aan te pakken.

Was het grootheidswaanzin? Nee, ik was het zicht op de realiteit niet kwijt, maar ik had wel een levendige fantasie. Aan het eind van m'n tienerjaren herinnerde ik mij vooral de verveling uit mijn kindertijd en dat ik mij niet kon vermaken. Mijn gezeur naar mijn moeder: “Mem, ik verveel me!”. Alsof ik zelf niks kon bedenken en mijn moeder me maar moest vertellen wat ik nu weer eens zou gaan spelen. In mijn sombere puberteit uitte ik dat in een krantje met de naam Imbored, een vernederlandsing van het Engelse I'm bored. Ik maakte altijd krantjes, alleen of met anderen: Leiba's Vakantienieuws, Hoivak, Imbored, Stupey's News. Dat laatste werd een 'klassekrant' – een krant met klasse, van en voor klas 3b – en dat bracht mij later in de schoolkrantredactie van het Streeklyceum, de Streekbuis. Toen ik jongvolwassen was corrigeerde of nuanceerde mijn moeder dat 'vervelende' beeld van mijzelf. Ze zei dat ik mij juist heel góed kon vermaken, zowel alleen als met vriendjes. Ze vertelde dat ik wel heel consistent was in mijn fantasieën. Zo kwam ik als klein kind tussen de middag wel eens 'met de auto' van school naar huis – gewoon met lege handen een onzichtbare auto besturend – en precies op de plek in de achtertuin waar ik de onzichtbare auto had geparkeerd, startte ik hem na het eten weer om er mee naar school te gaan.

Op m'n elfde verjaardag kreeg ik een “zelfbestuurbare auto op batterijen¨. Zo staat het in m'n dagboek. Nu moet ik een beetje lachen om dat woord “zelfbestuurbare”, want ik bedoelde op afstand bestuurbaar. Overigens niet radiografisch maar gewoon met een lange draad van de auto naar een batterijblok met een stuurtje en een voor- en achteruitknop. Vandaag de dag is het woord “zelfrijdende auto” actueel, wat ik eigenlijk ook maar een raar begrip vindt, want “auto(mobiel)” betekent van zich zelf al zelf. In m'n dagboekschriftje schreef ik: “Van een kruideniersdoos maak ik een garage. Het woord LASSIE (havermoutmerk) hindert niet, want dat betekent nu: Lonts Automobielfabriek, Supersonische Smeer Industrie Europa”. Ook daar moet ik nu om glimlachen, want “supersonisch” betekent sneller dan het geluid, maar dat wist ik toen niet en ik bedoelde het natuurlijk als superlatief van super, “superdesuper”.

Deze garage was het begin van een hele reeks bedrijfjes, voor elke gelegenheid verzon ik er wel één. In de eerste klas van het lyceum schreef ik een komisch-cynisch verhaal over Lont's Vliegreizen: “vlieg LVR, want voor u er bent, bent u er al geweest”. Ik bedacht een hotel in Zwitserland, waar ik een deel van het jaar ging wonen. Toen ik verliefd werd op Carolien kocht ik Radio Caroline (noch Carolien noch Caroline kwamen dit te weten). Elke dag kwam ik op de fiets van school in Ede naar huis in Barneveld langs een groot landhuis te midden van een mysterieus bosperceel. Op een dag besloot ik daar mijn hoofdkantoor te vestigen. Ik had in dat landhuis een grote centrale computer bedacht die met een paar drukken op de knop tal van brieven en bladen produceerde en verzond, een immense tekstverwerker. Dit was rond 1969 terwijl ik er alleen maar dromerig langsfietste op weg naar huis en het zou nog vele jaren duren totdat ik begin tachtiger jaren voor het eerst een echte tekstverwerker zag. Dat voelde als een moment van herkenning.

Rond m'n zestiende begon ik serieus te rekenen wat er nodig zou zijn om op mijzelf te gaan wonen en een eigen bedrijfje te beginnen. Zou ik kranten bezorgen, verkopen, uittypen of redigeren? Later heb ik dat allemaal wel eens gedaan. Of toch iets anders? Ik kreeg het niet rond. Maar toen ik tegen m'n 30ste écht voor mezelf begon, schreef ik mij in onder een bedrijfsnaam die ik al in m'n tienerjaren bedacht had: ylo tekstdienst. Eigenlijk had ik Dactylo willen heten, typist, iemand die het in de vingers heeft, van het Latijnse dactylus, vinger, maar dan moest ik een heel uitzendbedrijf opkopen. Toen ik dit probleem voorlegde aan Gerrit Dieleman, mijn vriend en vormgever die mijn huisstijl ontwierp, kwam hij met een geniale vondst: Stylo. Secretariaat en tekstredactie Ytzen Lont. De naam sprak me meteen aan, omdat het van de computer weer terug gaat naar de basis: de pen, de stylus, het schrijven, de stijl. Zo kan ik een doorgaande lijn trekken van de bedrijfjes uit mijn kindertijd, mijn schrijverij, inclusief de brief aan Unilever, tot aan mijn huidige bedrijf. Een dromerige fantasie? Zeker. Maar ik troost mij met de gedachte dat ook Albert Heijn en de gebroeders Philips fantasten waren.


Voornaamste produkten van Unilever-maatschappijen
voor de Nederlandse markt - voorjaar 1970











woensdag 15 februari 2017

Halve eeuw exit polls

Op Twitter lees ik zojuist dat Exit van der Poll vandaag 50 jaar is geworden. Abraham die buiten bij het stemlokaal de kiezers staat op te wachten om ze te vragen wat ze gestemd hebben. 

De eerste keer was vandaag vijftig jaar geleden in Utrecht bij de verkiezingen van 15 februari 1967. Ik kan mij die verkiezingen nog goed herinneren en ook de datum staat altijd in mijn herinnering gegrift. 

Wij gingen die dag verhuizen, binnen Barneveld, van de Nijkerkerweg (nu Schoutenstraat) naar de Vliegersvelderlaan (nu Graaf van Lyndenlaan). 's Morgens liep ik vanuit ons oude huis naar school en rond het middaguur wandelde ik van school naar ons nieuwe huis. 's Middags hadden we vrij vanwege de verkiezingen, omdat de bovenmeester het stemhokje moest bemannen. Ik was elf jaar oud en zat in de zesde klas bij meester Velsink. Ik herinner mij ook nog heel goed de verjaardag van de meester, later dat jaar, op 27 april. Vanwege meesters verjaardag hadden we de hele dag al feest gehad en 's avonds werd een prinsje geboren. Dagblad Trouw van 28 april 1967 - "Heel Nederland één juichkreet! Een prinsje! - was het begin van mijn krantenarchief. Niet alleen de koning maar ook mijn archief, althans verzamelwoede, wordt dit jaar dus 50 en ik zoek nog naar een passende manier om dit te vieren.

Terug naar de verkiezingen en verhuizing van 15 februari 1967. Ik herinner me de holle echo in ons nog nauwelijks ingerichte en schaars verlichte nieuwe huis. De televisie stond met de luidspreker precies gericht op de voorkamerdeur als een roeptoeter naar de gang en de trap. Als elfjarig jochie kon ik in m'n bed de verkiezingsuitslag luid en duidelijk volgen. Terwijl de KVP en CHU in die tijd flink onder druk stonden, won 'onze' ARP ruimschoots, mede dankzij het Zijlstra-effect. Jelle Zijlstra, de latere president van De Nederlandse Bank, had als interim-premier een zakelijke, apolitieke doortastende uitstraling. Bovendien had de ARP een onbetaalbare verkiezingscampagne in de schoot geworpen gekregen doordat Wim Kan op oudejaarsavond het hele volk had laten zingen, op de wijze van het populaire Yellow Submarine: "Waar we heengaan, Jelle zal wel zien, Jelle zal wel zien!" De ARP, die meestal stabiel op 13 of 14 zetels stond, behaalde die avond het record aantal van 15 zetels. Onder voorbehoud dat ik nog niet aan het dementeren ben, want dit is de herinnering uit het blote hoofd van een jongetje van elf van vijftig jaar geleden.

De laatste jaren had ik het genoegen om van tijd tot tijd bij oud-AR-leider Willem Aantjes op bezoek te gaan en te praten over vroeger en nu. Tegen zijn herinneringen en inzichten kon ik niet op, maar ik kon hem zo nu en dan toch wel op een detail aanvullen of een verbinding leggen die hij nog net even gemist had. Net als ik dacht hij associatief, bracht het meest onverwachtse bijeen in één gedachte. Zoals ik de verkiezingsuitslag met de holle klanken van het lege huis, herinnerde hij zich de door een onzorgvuldige werkster ontsnapte muis van zijn zoon tijdens de onderhandelingen over de kabinetsformatie. Behalve voor een nieuw kabinet moest hij met spoed zorgen voor een nieuwe muis. Ik mis de gesprekken met deze wijze oude maar tot zijn dood jong gebleven man.


woensdag 18 januari 2017

Wilhelmus

In 1979 was ik bij het 100-jarig bestaan van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in de Doelen in Rotterdam. De ARP was in die tijd een tegenstribbelend onderdeel van de federatie CDA, die in 1980 een fusiepartij zou worden van KVP, CHU en ARP. Ik herinner mij onder andere de jubileumtoespraak van Jelle Zijlstra, oud-minister van Financiën, interim-premier in 1966-'67 en daarna directeur van De Nederlandsche Bank. "Waar we heen gaan, Jelle zal wel zien" (Yellow Submarine), zong Wim Kan op Oudejaarsavond 1966. In zijn toespraak vergeleek Jelle Zijlstra een degelijk monetair beleid met de inkomenssolidariteit van de PvdA. Ook het tegengaan van inflatie is inkomenssolidariteit, vond hij. Inflatie is slecht voor de armen: zelfs het weinige geld dat ze hebben, verdwijnt ongemerkt uit hun portemonnee.

Abraham Kuyper was de eerste partijvoorzitter van de ARP, Hans de Boer de laatste. Niet te verwarren met de latere Labbekak-werkgeversleider. Op de eerste gemeenschappelijke lijst van het CDA in 1977 stond hij nummer 25. Ik heb toen op hem gestemd, omdat hij zich als één van de weinigen voor de verkiezingen uitsprak voor samenwerking met de PvdA en een progressieve politiek.

In 1979 zocht Hans de Boer een fractiemedewerker. Ik heb toen gesolliciteerd en werd uitgenodigd voor een gesprek. In mijn sollicitatiebrief had ik enthousiast gememoreerd dat ik de plaatselijke Arjos had weten te verdubbelen. Van één naar twee leden. De uitnodiging had ik vooral te danken aan mijn opiniestuk in de Barneveldse Krant over het aftreden van Willem Aantjes in november 1978. Uit het sollicitatiegesprek herinner ik mij dat hij mij graag zijn wekelijkse kolom in het AR-partijblad Nederlandse Gedachten wilde laten schrijven. Hij combineerde zijn kamerlidmaatschap met het partijvoorzitterschap en die werkzaamheden liepen onvermijdelijk door elkaar. We spraken over zijn kritische houding tegenover het jonge CDA-in-wording. In de grondslagdiscussie stond hij achter de visie van Aantjes (aanspreekbaar op het Evangelie) en het CDA mocht geen rechts blok worden, zoals de Duitse CDU, of met alle winden meewaaien, maar moest kiezen voor solidariteit. Als partijvoorzitter zag hij het als zijn roeping om de ARP "als één geheel" het CDA binnen te loodsen en een partijscheuring te voorkomen. Uiteindelijk koos hij iemand anders als medewerker. "Bij de eindafweging komt men in nuances terecht", schreef hij diplomatiek in de afwijzingsbrief.

Bij het opruimen van mijn archief (december 2016) vond ik deze notitie uit 1980, dus ongeveer een jaar later. 

Herinner me ineens het aanheffen van het Wilhelmus op het 100-jarig jubileum van de ARP. Minister-president Van Agt reikt namens H.M. de Koningin Juliana een ridderorde uit aan H.A. de Boer en in hem de ARP. Het mannenbroederlijk gezicht van Hans, borst vooruit, blik op oneindig, trots, vastberaden, stoer, principieel, recht door zee. Het 'ARP-gezicht'. 

Iemand in de zaal heft helemaal spontaan het Wilhelmus aan. WWWWil-HEL-mus vaaan... 

De hele zaal valt direkt in en daar rijst men overeind. Een geladen moment. 

Na het volkslied, een ander: "Leve de Koningin! Hoera - Hoera - Hoera." 

Wat weifelend. Moet dat nou... De echte, oude AR toch weer.


[Bij het opruimen van mijn archief vind ik soms losse aantekeningen, zoals deze uit 1980]